Als tekenaar maak ik geen mooie dingen. Ik ben op zoek naar een beeldtaal die afstapt van wat regulier als esthetisch wordt ervaren, het soort beelden die je als maker het beste kunt waarderen. Tekeningen die niet af zijn of waar fouten en slordigheden inzitten. Het zijn de tekeningen die je maakt voordat je gaat poetsen, bijwerken en bijschaven. Ik wil zo dicht mogelijk bij dat eerste moment blijven.

In een interview met het NRC in 1991 zei schilder Erik Andriesse: “wat ik schilder is het tatoeage-repertoire. Bloemen en schedels. Iedereen over de hele wereld begrijpt het. Leven en dood.” Net zoals Andriesse zich verwant voelde aan het tatoeage repertoire en haar universele betekenis, voel ik in mijn tekenen een verwantschap met briefjes op straat, persoonlijke uitingen op muren en teksten op wc’s van openbare tankstations – het vandalisme repertoire, om in de terminologie van Andriesse te blijven.

Nergens anders vind je zulke directe, ongefilterde uitingen van de maatschappelijke onderbuik. Deze kunnen grappig, baldadig, seksueel en recalcitrant zijn. De inhoud van deze eenzijdige boodschappen die mensen achterlaten, voor om het even wie, fascineren me – en zijn ook altijd al mijn eigen onderwerpen geweest. Deze mate van persoonlijkheid vind ik hiernaast ook in naambordjes, handgeschreven reclameposters en briefjes op de voordeuren van appartementencomplexen.

Ik speel met mijn tekenen middels digitale middelen, druktechnieken of composities. Context heeft daarnaast een grote invloed op de wijze waarop een tekening gezien of geïnterpreteerd wordt, waarom ik hier ook graag mee experimenteer. De verhaling van deze opeenvolgende handelingen is wat een tekening of uiting voor mij tot een werk maakt.